Bevalling van Tijs

Dag Kitty,
 
Het is even geleden, drie en een half jaar om precies te zijn, en naar het schijnt was mijn bevalling er een die je erg is bijgebleven.
 
Ik zat gisteren met mijn hoogzwangere buurvrouw Lina te kletsen, uiteraard ook over onze kroost en haar nakende bevalling, en ze zei me dat ze had gevraagd naar de mogelijkheid dat de schouderkes er niet goed doorkwamen, zoals bij haar buurvrouw, en ze zei dat je dat niet echt de meest ontspannende bevalling uit je carrière vond.
 
Ik kan je geruststellen : Tijs is een flinke kleuter geworden, geen reus meer, eerder gemiddeld van lengte en gewicht en hij is zich wonderbaarlijk bewust van de beweeglijkheid van zijn lijfje : hij danst, klimt, springt als geen ander. Zijn schouders zijn stevig, maar niet uitgesproken breed voor zijn leeftijd. Wel heeft hij nog altijd het gaatje aan zijn oren : zowel links als rechts had hij een kieuwgaatje waar vocht uit kwam, links is het na een jaar dichtgegroeid, rechts blijft het open. Wanneer Tijs een verkoudheid heeft, komt er pus uit zijn gaatje, een oorontsteking heeft hij nog nooit gehad.
 
Zelf heb ik na deze bevalling eigenlijk ook niets overgehouden. De osteopaat heeft mijn bekken terug recht gezet. Het heeft meer dan twee jaar geduurd voor mijn buikspieren terug netjes sloten, maar dat zal er ook wel mee te maken gehad hebben dat ik daar niet echt veel moeite voor heb gedaan.
 
De bevalling, nee, die zal ik uiteraard nooit vergeten, zoals geen enkele moeder haar bevallingen vergeet, denk ik.
De weeën waren er eindelijk, een week na de uitgerekende datum. Ik had me er bijna bij neergelegd dat dit de eerste baby ging zijn die niet geboren ging worden. Je kwam ’s nachts aan, samen met mijn zus, denk ik, en hebt me in bad geholpen omdat de weeën lang duurden. In bad duurden ze even lang, maar waren ze draaglijker. In de rustperiodes bewoog hij geruststellend. Hij, daar was ik al lang van overtuigd, dit was een jongen.
 
’s Morgens, toen het licht werd en enkel Leen, mijn zus wakker was, wou ik er weer uit. Ik weet dat Lotte nog even is komen kijken, ze ging toen pas naar school en Leen zorgde die dag voor haar.
“mama, heb jij pijn in je buik?”
“ja Lotje”
“Komt de baby dan?”
“ja, die komt straks”
“Is de vroedvrouw er?”
“Ja, die is beneden”
“Ah, dan is’t goed, ik ga naar school!”
Ik was blij dat we samen zo veel hadden gepraat en dat ze misschien niet helemaal, maar dan toch een beetje, op haar niveau, wist wat er ging gebeuren.
 
Bruine boterham met kaas. Dat was mijn ontbijt. Niet dat het mij boeide, maar energie had ik wel nodig.
 
Uit bad, op het toilet. Je kwam vragen waar ik wou bevallen, zodat je alles kon klaarzetten. Het kon me niet schelen, echt niet, je koos de slaapkamer, en daar ben ik nog blij om, de badkamer was heel klinisch.
 
Van het toilet, op bed. Alles afgedekt met de plastiek en het laken dat ik had klaargelegd, je kraampakket er bij gehaald. Leen kreeg een metalen doosje om in de oven te zetten. Naaigerief? Om te steriliseren? Ik zat in de weeën, op mijn knieën, toen je me zei “Goed, volledige ontsluiting, maar nu moet je eerst persen om je water te breken.” Dat vond ik raar. Dat het nog niet gebroken was en dat je me het zelf liet doen, al vond ik dat laatste best. Ik perste en het brak. En ik voelde het : hij daalde eindelijk in. Mijn bekken zette op enkel tellen uit, de pijn van bekkeninstabiliteit verviel in het niets. Het leek alsof het scheurde, vanbinnen. Hij moest er uit.
 
Van het bed op de baarkruk. Hij moest er uit. Een paar keer persen, zijn verfrommeld hoofdje zat klaar. Het brandde, even wachten, de volgende wee kwam zijn hoofdje er netjes uit. Ik heb toen even gekeken, grappig, tussen er zijn en niet zijn. En dan is de theorie dat je bij de volgende perswee je baby opvangt voor hij op de grond valt. Dat deed hij dus niet. Ik had er geen erg in en dacht : ik moet me op mijn hurken zetten, zo gaat hij er wel uit kunnen. Nog een poging. Toen veranderde je stem. Kitty, je stem is zo zacht. Iedereen die ik ken en met jou bevallen is, beaamt dat: je hebt een stem die pijn wegneemt. Zacht, bijna fluisterend. Je houding veranderde niet, alleen je stem, en toen wist ik dat het niet goed was.
 
Je zei dat zijn schouders vastzaten. Nele, de andere vroedvrouw, moest op mijn buik duwen. Ik zei wanneer het kwam. Tussen er zijn en er niet zijn mag niet te lang duren. Je zette me op m’n knieën. Ondertussen hadden het bijna geboren kindje en ik je rescue-remedy-voorraad al flink aangesproken. Ik zat op mijn knieën en dacht : “Dit is niet goed”. Dat niet alleen, ik zal eerlijk zijn, ik dacht “Verdomme, ik ben hier aan het doodgaan en mijn kindje ook. En dan zal iedereen zeggen dat dat was omdat ik perse thuis wou bevallen. Dat gun ik ze niet.” Op de knieën lukte niet.
 
Van de knieën naar hurken. Ik wist dat het zo wel ging lukken. Geen verstand, enkel gevoel. Je nam bij het persen zijn hoofdje vast, Nele duwde op mijn buik en mijn bijdrage bestond uit een oerschreeuw. Geen gegil of gebrul : een oerschreeuw die zei dat ik wou leven. Ik duwde en zijn armen kwamen. Nog eens duwen voor zijn buik. Nog, zijn billen moesten er ook door.
 
Daar lag hij. Groot, dik en blauw. Blij dat hij er uit was, dat wel, maar hij deed niets. De navelstreng klopte nog, hij kreeg al het bloed dat beschikbaar was en kleurde bij. Het zuurstofslangetje bij zijn gezichtje, slijmpjes weggezogen. Groot, dik en ondertussen rood. Met een verfrommeld, asymetrisch gezichtje. Lelijk. Moet een moeder haar kindje niet direct graag zien? Ik zei iets als “adem dan toch, mooi kindje”, en voelde dat het niet goed zat. Hij ademde wel, deed een beetje “ehehe”. Zijn vader knipte de navelstreng door en daar lag hij : mijn pasgebaarde zoon. Zwart haar. Leen kwam even kijken, fiere tante, maar ze ging direct terug naar beneden.
 
Tijd voor de placenta, maar die kwam niet. Je werd een beetje kwaad :
“Je hebt die placenta niet meer nodig”
“ja, dat weet ik, hij moet er uit”
“duw hem er dan uit”
“nee, niet trekken, die zit vast”
Niet echt een literair hoogstaande conversatie, eerder van essentie en urgentie in één. Twee spuitjes om de placenta te lossen. Je had me gezegd dat je zelden spuitjes gebruikte, dat is immers niet nodig. Ondertussen stroomde het bloed uit mij, ik had het niet echt door, tot je me op bed zette en ik de bedpan zag. Half geloste placenta, baarmoeder kan niet volledig samentrekken om de bloeding te stoppen. Ja, ik had best veel gelezen op voorhand, maar dat ging over ziekenhuizen, daar word je in slaap gedaan en haalt de gyneacoloog de placenta er uit. Thuis, daar doe jij dat. Nog een paar druppels rescue-remedy en ik beet op mijn tanden. De pijn ging gelukkig snel weg. Ik begreep maar niet waarom je bleef vragen of het nergens pikte. Je controleerde me nog eens.
“Echt nergens?”
Ik twijfelde even : kan pijn zo veel pijn doen dat je hem niet meer voelt?
“Nee, echt nergens”
Geen totaalruptuur, waar je zo bang voor was, zelfs geen scheurtje. Niks. Het mag mee zitten, niet?
 
“Heb je grotere hemdjes?”
“Hoezo?”
Ik zag Tijs met zijn schouders uit het hemdje steken. Maatje 56, waar Lotte in paste tot ze 3 maanden oud was. Ik zou later wel de grotere zoeken, voorlopig lag hij toch warm en dicht bij mij.
 
Kraamverband, zoon in mijn armen. Terwijl ik van de ene kant van het bed naar de andere verhuisde, verschoonden jullie de lakens. Zalig.
Samenvatting van de zoon : hoofd van 37 cm, 4 kg 180, en voor een keer heb je de baby wel gemeten : 54 cm. En dat met ouders die zelf met moeite 160 cm zijn. Stevig bazeke.
 
Het was middag, Lotte kwam thuis van school. Ze bleef in de deuropening staan.
“Is dat mijn broertje?”
“Ja”
En weg was ze. Dat broertje zou niet weglopen, ze at haar boterhammen en tante Leen bracht haar terug naar school.
 
Ik moest hem graag zien. Instant. Nu. En dat kwam niet. Mijn bekken leek uiteen te liggen. Bekkeninstabiliteit is één ding, een dikke baby die in een beweging indaalt nog iets anders. Baby’s horen mooie en klein en zacht te zijn. Tijs, zonder “h” is een uur na zijn geboorte beslist, was dat niet. Geen instant moedergevoel, deze baby had me te veel pijn gedaan. Ik had hier zo naar uitgekeken, zo vaak tegen hem gesproken in mijn buik. Er uit was toch iets anders.
“Ik moet hem graag zien” dacht ik, tegelijk beseffend dat je niet op commando iemand graag ziet, al wil je het nog zo graag. Mijn verantwoordelijkheidsgevoel nam het over. Hij had direct door hoe hij het colostrum uit mijn borsten moest krijgen. Met de ervaring van 22 maanden borstvoeding bij de oudste, weet je ook beter “hoe het werkt” dan bij een eerste.
 
Tijs had pijn. Zijn nekje en schouders deden pijn en je was bang dat er iets echt mis zou zijn, al waren zijn bewegingen hoopgevend. Hij kreeg arnica-druppeltjes, dan stopte hij met huilen voor een tijdje. Ik kreeg de eerste week liters vrouwenmantelthee en herderstasje.
 
De eerste dagen heb ik in bed doorgebracht. Na de bevalling van Lotte liep ik direct rond, nu geraakte ik zelfs niet aan het toilet. Niet alleen ontbijt, ook middag- en avondeten kwam op bed. Tijs lag naast me, in het midden van het bed. Ik vond hem al iets leuker, al moet ik zeggen dat ik niet echt gecharmeerd was door zijn kleine oogjes en dikke, vervellende handjes. Bezoek is pas de tweede dag gekomen, ’s avonds dan nog en heel even. Ik was voorzichtig trots, een beer van een baby, thuis geboren, moeder en kind helemaal in orde.
 
De derde dag ben ik uit bed gekomen. Je had Tijs net gewassen in de badkamer, het kleine badje waar Lotte in had gelegen was al te klein voor hem, en hij viel in slaap terwijl je hem afdroogde. Voorzichtig, een beetje draaierig naar beneden, om de draad van het gewone leven terug op te nemen. Met baby, die ik dag na dag liever begon te zien.
 
Na een tijd zat ik niet goed in mijn vel, de bevalling had dan lichamelijk geen sporen nagelaten, mentaal was iets anders. Ik heb me vaak afgevraagd hoe het zou gelopen zijn als ik “gewoon in het ziekenhuis’ zou bevallen zijn. Ondertussen ben ik er uit : door te kiezen om zelf te bevallen en beroep te doen op jouw wijsheid en kunde, heb ik beseft hoe sterk ik kan zijn. Je hebt me vertrouwen gegeven, ook al was mijn zwangerschap niet gemakkelijk te noemen en was ik zelf ook erg onzeker. Het besef dat ik zo graag leef, heeft me veranderd. Veel bewuster van wat ik met de rest van mijn leven kan doen. Je leeft immers maar een keer, wat zijn je idealen? Met welke compromissen kan en wil je leven? Hoe wil je welke kansen geven aan je kinderen?
 
Er zijn nu meer dan drie jaar overgegaan. We wonen niet meer in Tijs zijn geboortehuis, ook niet meer bij zijn vader. We wonen nu in wat Tijs “het bloemenhuis’ noemt. Lotte bloeide open en ik ook. Tijs heeft nu geen zwart haar meer, wilde, blonde haren en hij ziet er uit om op te eten.
 
Ik wil je bedanken voor het vertrouwen en om toen niet te laten merken hoe beangstigend je het vond. We zijn er doorgeraakt, dat telt. Ik hoor geregeld van je, via vriendinnen die ook beroep doen op jou en dat doet me plezier, ik word er telkens goed gezind van. Niet dat het aan de orde is, maar moest er ooit een derde kindje komen, zie je het dan nog zitten om naar het bloemenhuis te komen?
 
Vriendelijke groeten,
 
Els

terug naar boven

 


Delphine